Komt voor op:
Het oneindige onland, de eenzame bossen;
het grimmige pad van de grijze doler,
de huiler in heuvels door herders geducht,
bang luidde blaten, als de buit betrof vee.
Bijter van wolvee
Bijter van wolvee
De bijter van wolvee waarde in duister,
in schemer verschanste de scherpziende janker,
scheper en schapen schuwden de nacht;
het leed van de landman, belager van de zon.
De teef der wonden, tuk op bloed,
klemde haar kaken om kelen van ooien,
gereten rompen in het rode gras,
de raven en roeken rijkelijk tot spijs.
Dief en duivel daglicht schuwend,
bij maanlicht weent het wolfgebroed,
in weide wachtte weerloos vee,
de schapen Gods, met grote vrees.


