Komt voor op:
Ik kwam uit het noorden, toen kruiste mijn pad
een beek diep verborgen, blinkend en stil.
De dag was gekomen, de koers bepaald,
ik zag in het zuiden verzonken een rijk.
Langs oevers vloot het eeuwig water,
door heuvels wond de heldere stroom,
benoorden lag het leven vast,
bezuiden verrees het rijk des doods.
Aan de zuidkant verrezen ronde heuvels,
de aarden hallen, huizen der doden,
omgord met magie, de grond was gewijd,
de gang der geesten op de grens van licht.
Ik zag aan de noordkant de zonen der mensen,
bij hoeven en hutten de heuvels bebouwen,
het vee in de velden, het volk op de been,
het pad van de vissen bood vruchtbaar bestaan.
Toen zag ik mijzelf zuidwaarts gaan,
de voorde doorwadend, vond ik mijn eind,
benoorden lag mijn leven vast,
bezuiden verrees het rijk des doods.


